Back to list of articles

Bijna twee jaar verder en nog niets veranderd!

Trouw (http://www.trouw.nl)
28 November 2003
Henriette Lakmaker
Wat heeft een kind aan recht op jeugdzorg als het eerst een jaar op de wachtlijst moet?

Niemand is echt tegen de nieuwe wet op de jeugdzorg. De betrokkenen vinden alles beter dan de toestand vóór de grote veranderingen, die tien jaar geleden inzetten. Maar ook is praktisch niemand voor het wetsvoorstel dat, na een zoveelste uitstel, op zijn vroegst half 2004 wet wordt. Eerst wil de Eerste Kamer toelichting van de staatssecretaris op een aantal kritische vragen.

In de praktijk is er al veel in gang gezet. Er zijn nu vijftien Bureaus Jeugd-zorg, in de meeste provincies en de drie grote regio's. Alleen een paar lande-lijke organisaties, zoals de William Schrikkerstichting en het Joods Maat-schappelijk Werk, staan nog op zichzelf.

Waar de nieuwe jeugdhulpverlening al gestalte heeft gekregen, ziet het er overzichtelijk uit. Als kind, jongere of ouder hoef je niet eens een trap op voor hulp of advies. Meteen bij binnenkomst-op eigen initiatief of na verwijzing door huisarts, school, gg&gd-wijst zich al het loket. Daarna volgt een heldere bewegwijzering naar de achterliggende voorzieningen. Die ene voordeur met een bordje in een ook al zo moderne vormgeving staat voor laagdrempe-ligheid. Daar eenmaal voorbij, kan de cliënt terecht bij opvoedingsonder-steuning, maatschappelijk werk, video-hometraining, psychotherapie, spel- en andere soorten van therapie. Soms-in het ideale geval-is dat in hetzelfde gebouw. Vaker is er een stichting elders in de regio die de diverse vormen van hulp of opvang biedt. Het plaatselijk advies- en meldpunt kindermis-handeling (amk) en de jeugdreclassering worden eveneens onderdeel van het nieuwe bureau Jeugdzorg.

Ergens, verderop in de gang of een verdieping hoger, hangt het bordje 'Raad voor Kinderbescherming' en 'Gezinsvoogdij'. Door de meeste vormen van hulpverlening in hetzelfde gebouw of dichtbij te plaatsen kunnen de lijntjes onderling kort zijn. Kinderen, jongeren en ouders kunnen snel worden gehoord, geadviseerd en doorverwezen. Rapportages volgens gestandaar-diseerde formulieren zorgen voor een heldere overdracht. Gaat er toch iets mis, dan is er de klachtencommissie (ergens op de derde verdieping) of het klachtenbureau (ergens buiten).

In juni 2003 werd de wet door de Tweede Kamer aangenomen. Het kabinet-Kok I wilde af van de situatie waarbij het van toeval afhing wie de 'hulpvraag' behandelde en naar wie een ouder, kind of jongere werd verwezen. Vaak stuurde men een kind door naar de eigen instelling, van dezelfde stichting of -gezindte. Het aanbod, een baaierd van organisaties, stichtingen of instellingen, bepaalde wat voor hulp er werd geboden.

Dat moest anders: voortaan zou dat veel meer op de echte vraag en behoefte worden afgestemd. 'De vraag van de cliënt staat centraal', heet dat. En: ieder kind heeft recht op jeugdzorg. Is er eenmaal een indicatie gesteld, dan moet het kind of de jongere hulp krijgen, zo snel mogelijk, liefst dicht bij huis, in zo licht mogelijke vorm en van korte duur. 'Zo-zo-zo-beleid', heet dat.

Soms is een paar uur gezinshulp in de week voldoende om ouders door een impasse te helpen. Hulp moet zoveel mogelijk rondom het gezin plaatsvinden, zoals de pleegzorg tegenwoordig veel werkt met opvang in het netwerk aan familieleden rondom een kind. Plaatsing uit huis bij pleegge-zinnen of in een tehuis wordt zo lang mogelijk vermeden. De cliënt heeft er recht op het eigen dossier in te zien. Elk bureau en elke instelling hoort een klachtenregeling te hebben.

Maar, de jeugdzorgwatchers-de hoogleraren, de adviseurs, de politici-zeggen: wat telt dat recht op jeugdzorg als er een wachtlijst is? Onlangs wees het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) op het gebrek aan capaciteit op de Bureaus Jeugdzorg. In de zomer van 2002 stonden er 784 kinderen op een wachtlijst voor pleegzorg en 1161 kinderen wachtten op een plek in een inrichting. Waarom, is nu de vraag van de Eerste-Kamerleden aan de staatssecretaris, wordt daarvoor niet meer geld uitgetrokken?

De provincies, verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet en de verdeling van het geld, sloegen onlangs alarm over een tekort van 180 miljoen euro. Daarna stelde het kabinet meer geld beschikbaar. Volgens de MO-Groep, de werkgeverskoepel in de zorg, is er echter nog steeds te weinig geld om echt aan dat recht op zorg tegemoet te komen.

Er zijn meer kanttekeningen. Professor Jan van der Ploeg, emeritus hoogleraar orthopedagogiek, vindt het Bureau Jeugdzorg zelfs een stap te ver in de decentralisatie van de jeugdhulpverlening. ,,Dat zo-zo-zo beleid is goed, maar die volgorde is niet verplicht, en dat lijkt soms wel zo'', zegt Van der Ploeg. ,, Ik kan me enorm ergeren aan het feit dat de tehuizen worden afgeschreven. Het is soms noodzakelijk om meteen zwaar in te zetten en een kind uit huis te halen. Er is nu eenmaal een categorie kinderen waarmee je anders niet veel kan uitrichten.''

Is het Bureau Jeugdzorg wel bekend genoeg bij het grote publiek, is het niet veel meer een tweedelijnsvoorziening, vraagt hoogleraar jeugdrecht Jaap Doek zich af. Hij is buitengewoon kritisch over de nog steeds moeizame samenwerking tussen sommige jeugdzorg-bureaus en de jeugd-ggz. Het blijft mogelijk om via een zijdeur, met een verwijzing van de huisarts, bij het Riagg terecht te komen. Dat betekent niet alleen dat de cliënt een lichtere en goedkopere vorm van hulp misloopt, terwijl die wellicht wel voldoende was geweest. Het betekent ook dat de hulp verkokerd blijft, tegen de oorspron-kelijke gedachte van de wetgevers in. Doek: ,,Als het Bureau Jeugdzorg zeven dagen per week 24 uur bereikbaar en beschikbaar is en de deskundigheid in huis heeft, ontgaat mij de noodzaak hiervan.'' Juist aan die deskundigheid twijfelen veel kinderpsychiaters. 'Wij hebben de expertise die jeugdhulpverleners niet hebben', zeggen ze.

Een andere bron van zorg van Doek is de monopoliepositie van het Bureau Jeugdzorg. ,,Als cliënt ben je afhankelijk van dat ene bureau in de regio.'' Volgens hem wringt dat met de intentie van de wet: de cliënt kiest de eigen zorg, maar zonder het Bureau vindt hij van zijn leven niet de weg in hulpverleningsland.

Maar ook de hulpverleners zelf zijn nogal eens het spoor bijster. 'Roermond' is hèt voorbeeld van langs elkaar heen werkende instanties met fatale gevolgen. Daar bracht in juli 2002 een vader zijn zes kinderen om toen hij hun huis in lichterlaaie zette. Dit geval is een toetssteen geworden van de hele jeugdzorg, waardoor er weer andere fouten gemaakt kunnen worden-zoals blijkt uit het verhaal van Petra en Henk de Vlieger: Moet ik dan voor de trein springen? (zie publicaties).



Back to list of articles